Dit opiniestuk verscheen eerder op knack.be en heeft de redactie van VUB Today integraal overgenomen.

 

Rond het midden van de achttiende eeuw verscheen er in Frans-Vlaanderen een jammerklacht over de staat van de moedertaal, onder de illustere titel Snoeijmes der Vlaemsche Tale. De anonieme auteur, vermoedelijk een rederijker, klaagde - hij zou nog zeggen: kloeg - het taalgebruik van zijn tijdsgenoten aan. Met name jongeren konden enkel nog 'bespottelijk, en slordig' Nederlands spreken en schrijven, en hij beschrijft bijvoorbeeld met veel afschuw hoe Vlamingen hun moedertaal doorspekken met verbasterd Frans. Als schuldige voor al deze talige misdrijven werden de schoolmeesters, 'zoo dom, en verblind', aangewezen.

Het publieke discours over taal is sinds de achttiende eeuw in wezen weinig veranderd: anno 2018 klagen velen nog steeds over de staat van de moedertaal, en ook nu nog blijkt dat meestal de schuld van het onderwijs te zijn. Jaarlijks laaien steeds dezelfde debatten over tussentaal en standaardtaal weer op, en kranten bieden conservatieve opiniemakers zoals Mia Doornaert maar wat graag een forum aan voor talige kruistochten tegen de Vlaamse veronachtzaming van de moedertaal.

Laten we stoppen met zeuren over taal, en meer genieten van taal, in al haar vormen en verschijningen.


Taalkundigen, en met name sociolinguïsten, wordt in dit soort debatten vaak verweten dat ze langs de zijlijn blijven staan en vooral niet willen ingrijpen om nieuwe ontwikkelingen in de taal te veroordelen - terwijl taalgebruikers net graag een expertenoordeel horen, zodat de brandstapel van de vermeende taalslordigheden met de nodige wetenschappelijke onderbouw kan worden aangestoken. Hoewel er in de taalkunde zeker zaken zijn die het waard zijn om op de barricades voor te gaan staan, is dit evenwel een oproep om dat niette doen als het over taalvariatie en taalverandering gaat. Net zoals de bioloog de complexiteit van de natuurlijke wereld pas kan doorgronden door er onbevangen en met een nieuwsgierige blik door een vergrootglas naar te kijken, kan onbevooroordeelde observatie van ons dagelijkse taalgebruik helpen om inzicht te krijgen, niet enkel in taal op zich, maar ook in hoe de mens als sociaal wezen functioneert.

 

Het verwerpen van taalvariatie en klagen over taalverandering als 'taalverloedering' gaat dan ook voort op drie misvattingen: over hoe talen veranderen, over wat taalregels eigenlijk zijn, en over de eigenlijke aard en functies van taal.

 

  • 1. Talen veranderen niet onder dwang

In de eerste plaats heeft zeuren over taal eigenlijk weinig effect. Verzet tegen nieuwe vormen die als verloedering worden gezien is van alle tijden, maar slaagt er slechts zelden in om die nieuwe vormen ook daadwerkelijk tegen te houden. Zo proberen grammatici al eeuwen een onderscheid af te dwingen tussen hen, dat voor de accusatief gebruikt zou moeten worden (ik zie hen), en hun, dat voor de datief is voorbehouden (ik schenk hun mijn leven). In het dagelijkse gesproken taalgebruik zijn er echter amper sprekers die consequent dit onderscheid maken, al denken ze soms wel dat ze dat doen. Eeuwen van grammaticale voorschriften en onderwijs zijn er dus niet in geslaagd om het taalgebruik aan banden te leggen. Indien het wel lukt om bepaalde vormen te verdrijven, gaat het vaak om woorden of constructies die sowieso al op de terugweg waren in het eigenlijke gebruik.

Verzet tegen nieuwe vormen die als verloedering worden gezien is van alle tijden, maar slaagt er slechts zelden in om die nieuwe vormen ook daadwerkelijk tegen te houden.


Uiteraard bestaan er wel voorbeelden van vernieuwingen in taal die van bovenaf worden opgelegd, maar doorgaans is taalverandering iets dat van de gebruikers zelf uitgaat, zonder dwang van bovenaf. Een mooi voorbeeld van een opgelegde verandering die wel met (relatief) succes ingang vond, is het telsysteem in het Noors, waarbij er - naar verluidt op aandringen van de telefoonmaatschappij - in de jaren 1950 gewisseld werd van een systeem met eerst de eenheden (éénenvijftig) naar een systeem met eerst de tientallen (vijftig-één), al blijft ook daar het oude systeem nog in gebruik in de spreektaal. Meestal hebben taaloekazes minder effect, en blijft de impact van grammatici beperkt tot een gering aantal situaties in vaak erg formele contexten. Met name het spontane, alledaagse taalgebruik, wat toch de essentie uitmaakt van ons talige bestaan, laat zich amper vangen in voorschriften en verboden.

 

  • 2. Taalregels en taalregels zijn twee

Een bijkomende misvatting gaat over wat taalregels precies zijn. Het is belangrijk om daarin een onderscheid te maken tussen regels zoals die bijvoorbeeld op school worden aangeleerd, en regels zoals die in het hoofd van de spreker het eigenlijke taalgebruik aansturen.

 

Het eerste soort regels, dat via leerboeken en driloefeningen zijn weg vindt tot in ons geheugen, is meestal nogal oppervlakkig en komt zeker niet altijd overeen met wat sprekers in de praktijk eigenlijk doen. Denk aan vergelijkingen met het voegwoord als in plaats van dan: schoolmeestervingertjes gaan al snel vermanend de hoogte in bij groter als, hoewel deze vorm in grote delen van Vlaanderen voorkomt en een eeuwenoude gebruiksgeschiedenis in onze taal kan voorleggen. Voor communicatieve problemen zorgt de als/dan-variatie nooit: er zal niemand je fout begrijpen als je groter als in plaats van groter dan zegt. Wel maakt de hetze mensen onzeker, wat dan weer tot ongemakkelijke hypercorrecties leidt: plots gaan als-sprekers te hard op hun taalgebruik letten, en produceren ze naast groter dan in de vergrotende trap opeens ook even groot dan in de stellende trap.

Een bijkomende misvatting gaat over wat taalregels precies zijn.


Het tweede soort taalregels is waar taalkundigen eigenlijk in geïnteresseerd zijn. Deze regels zijn moedertaalsprekers meestal onbekend, maar ook zonder ze te kunnen uitleggen, passen we ze wel zonder probleem toe in ons dagelijkse taalgebruik. Zo kunnen zonder twijfel niet veel Nederlandstaligen uitleggen wat het 'inherentieprincipe' inhoudt, maar hebben we intuïtief wél een sterke voorkeur voor het gekreukte katoenen jasje in plaats van het katoenen gekreukte jasje. (Het inherentieprincipe stelt onder andere dat bijvoeglijke naamwoorden die een eerder 'inherente' eigenschap van het zelfstandig naamwoord uitdrukken, ook dichter bij dat zelfstandig naamwoord komen te staan).

 

In plaats van aan de oppervlakte te blijven met spellings- en andere 'zeg niet X, zeg Y'-regeltjes, proberen taalkundigen precies die fascinerende dieperliggende systematiek in taal bloot te leggen. Terwijl taalpuristen schreeuwen over verloedering bij een nieuwe vorm zoals hun hebben gelijk, ontdekken taalkundigen net dat dit nieuwe persoonlijk voornaamwoord als onderwerp fascinerend is, omdat het toelaat een onderscheid te maken tussen menselijke en niet-menselijke onderwerpen. Waar de zin ze werken dag en nacht ambigu is omdat ze zowel naar de mensen als naar de computers zou kunnen verwijzen, kan dezelfde zin met hun in plaats van ze enkel met een mens als subject worden begrepen. Taalverandering betekent zeker niet altijd versimpeling.

 

  • 3. Variatie is een essentieel onderdeel van taal

Tot slot gaan de argumenten tegen taalvariatie doorgaans uit van een misvatting over wat taal nu eigenlijk is. Er wordt dan gewezen op Babylonische spraakverwarring wanneer iedereen op zijn of haar eigen manier zou gaan spreken. De aanname hierbij is dat taal een communicatiemiddel is, waarmee we bewust een duidelijk afgebakende boodschap op zo eenvormig mogelijke wijze overdragen van zender naar ontvanger. Uiteraard vervult taal zo'n communicatieve functie, en is een overvloed aan variatie een gegarandeerd recept voor spraakverwarring.

 

Maar naast een instrument om een boodschap van zender naar ontvanger te sturen, is taal ook een middel om onze sociale identiteit mee vorm te geven. De manier waarop we iets zeggen is soms belangrijker dan wat we zeggen, en dezelfde boodschap kan afhankelijk van de uitspraak bijvoorbeeld een totaal ander effect creëren. Niemand spreekt altijd, overal en tegen iedereen hetzelfde, en als dagelijks spreker van standaardtaal, tussentaal én dialect, weet ik dat iedere variëteit zo haar functie en haar plaats heeft. Waar keurig Standaardnederlands voor mij de enige gepaste variëteit is wanneer ik voor de klas sta, zouden mijn vrienden nogal vreemd opkijken als ik tijdens een avondje uit op dezelfde onberispelijke toon zou spreken.

De manier waarop we iets zeggen is soms belangrijker dan wat we zeggen, en dezelfde boodschap kan afhankelijk van de uitspraak bijvoorbeeld een totaal ander effect creëren.


Taal is in de eerste plaats een afspiegeling van de maatschappij, en zoals ik in mijn college voor de Universiteit van Vlaanderen betoog, verraadt je taalgebruik heel wat over jezelf: gaande van je regionale herkomst, tot je leeftijd, je geslacht, maar zelfs je sociale achtergrond en je opleidingsniveau. Maar tegelijkertijd is taal als identitair instrument dus ook flexibel genoeg om in elke situatie weer op een andere manier te worden ingezet. Generatie na generatie jongeren slaagt er daarom in om zich te onderscheiden van haar voorgangers, en wat vandaag als afwijking wordt verworpen kan morgen uitgroeien tot norm. Precies omdat taal varieert, verandert taal ook.

 

Uiteraard kan variëren in je taalgebruik enkel als je talige repertoire breed genoeg is. Dit pleidooi is dan ook geen taalrelativistisch betoog om standaardtaal overboord te gooien, noch een ontkenning van haar emancipatorische potentieel - wel integendeel. Maar net zoals het cruciaal is om ervoor te zorgen dat jongeren het Standaardnederlands voldoende beheersen, is ook een bewustwording en erkenning van andere taalvariëteiten zoals tussentaal als informele omgangstaal aan de orde. Enkel de verkennende blik van de taalkundige als bioloog met vergrootglas, eerder dan de strenge blik van de taalkundige als scheidsrechter, kan ons meer inzicht bieden in taal als venster op ziel van de mens. De wereld zou er per slot van rekening maar grauw uitzien als iedereen steeds hetzelfde sprak. Laten we daarom vooral stoppen met zeuren over taal, en meer genieten van taal, in al haar vormen en verschijningen.

 

Rik Vosters is docent Nederlandse taalkunde aan de Vrije Universiteit Brussel, waar hij onderzoek doet naar taalvariatie en taalverandering in het Nederlands van de achttiende en negentiende eeuw. Hij schrijft deze bijdrage in eigen naam.